Cel Overberghe *

Cel Overberghe schrijft reeds meer dan een halve eeuw geschiedenis. Als schilder èn als jazzmusicus. Met tal van prijzen en solo-tentoonstellingen in binnen- en buitenland op zijn palmares is zijn scheppingsdrang nog steeds even jeugdig als vitaal.. Om steeds te vernieuwen en grenzen te verleggen. Ook niet gehinderd door de vlakheid van het canvas. Als een alchemist breit hij er door het toveren met materie wel een derde dimensie aan toe.
Van opleiding graficus wordt hij boekvormgever, boekillustrator en docent. Om al gauw uit te breken uit het platte vlak van boek en grafiek en zich mengend, kervend en krassend op de schilderkunst te storten. Het mogen ‘beleven’ van z’n authentieke werken ervaren velen dan ook als een exclusief voorrecht.
In de ‘Groep 58’, die het Hessenhuis heropende als thuisbasis voor de nieuwe wilde ‘abstracten’ (we schrijven 1958), is hij mede-stichter en jongste lid. Samen met andere beeldenstormers schreef hij er met zijn vernieuwingsdrang en experimenteerdrift baanbrekende geschiedenis.

Zijn blijvende, jeugdige vernieuwingsdrift, ondertussen gecombineerd met jarenlange rijping en vakkennis, straalt nog steeds af van zijn schilderijen.Net als de gelaagdheid, compositie en harmonie in de muziek is hij vooral een materie-schilder, die laag op laag aanbrengt, de verf vermengt met zand, as en ande materialen en nadien weer delen wegschraapt. Zijn schilderijen vibreren en zijn sterk lijfelijk aanwezig door het ontstane reliëf. Waardoor het invallend licht op de materie en de minuscule schaduwen het netvlies masseren. Soms speels, soms dramatisch.
Cel Overberghe hecht zoveel belang aan de materie op het doek, dat de betekenis van z’n abstracte werken verdwijnt. Het kijken in de schilderijen is als luisteren naar muziek.
Telkens vertonen zijn werken een trefzeker architecturaal evenwicht en een sterke atmosfeer die de beschouwer raakt als een spiegel van z’n ziel.
Een dikwijls weerkerend element in zijn schilderijen is een extra uitgelichte rechthoek in het midden. De solo-muzikant die naar voor komt? De deur aan het einde van z’ n atelier dat uitgeeft op een tuin? Een raam met doorzichtige muren eromheen als symbool van vrijheid? Een houvast voor de kijker?
Wat recentelijk ook telkens terugkeert is een kleine felgekleurde stip. Als een soort referentiepunt, maar waarvan je nooit kan achterhalen of het nu voor of achter het doek hangt. Andere keren bouwt hij z’ n schilderijen op met loodzware donkere vlakken als massieve balken, die op een Rothko-achtige manier de dagdagelijkse realiteit doen verstommen. En de beschouwer omarmt, opslorpt en teruggooit in verstilling en verering voor het grote niets, de spiritualiteit, zoals iedereen het anders noemt, maar op dezelfde manier ervaart.